Het belang van relaties in Een cursus in wonderen
door Robert Perry
Streamer: Niemand wordt door toeval naar iemand anders gezonden
Ik heb kortgeleden een artikel gelezen over het onderzoek naar bijna-dood-ervaringen (Altered States: Scientists Analyze the Near-Death Experience, door Lee Graves, The University of Virginia Magazine, zomer 2007). Terwijl ik onder de indruk was van al het verzamelde bewijs (dat deze ervaringen niet louter de morbide effecten zijn van een stervend brein), werd ik in het bijzonder getroffen door een bepaalde boodschap die telkens weer naar voren kwam.
Deze boodschap kwam tot uiting in het verhaal waarmee het artikel begon. Het ging over Rocky, een geldloper voor de maffia, die eens in de borst werd geschoten en als dood achtergelaten. Hij had een diepgaande bijna-dood-ervaring en, zoals Bruce Grayson het beschreef, "kwam terug met typische BDE-verschijnselen. Hij was van mening dat samenwerking en liefde belangrijke zaken waren en dat wedijver en materiële bezittingen geen betekenis hadden." Als gevolg hiervan veranderde hij van beroep en "begon ontspoorde kinderen en slachtoffers van mishandeling binnen het huwelijk te helpen".
Daarna werd dezelfde boodschap herhaaldelijk onder woorden gebracht door zowel BDE-ers als wetenschappers. Hieronder enkele voorbeelden:
De manier waarop we onze tijd op aarde doorbrengen, het soort relaties dat we opbouwen, is veel belangrijker dan we vermoeden. (George Ritchie, BDE-er en schrijver van Return from Tomorrow.)
Zij [BDE-ers] lijken te weten dat de liefde die ze tijdens hun leven scheppen naar hen terug reflecteert en hen bestraalt wanneer ze sterven. (Melvin Morse, M.D., schrijver van Closer to the Light: Learning from the Near-Death Experiences of Children.)
We zijn allen samen één. Als ik jou iets aandoe, dan doe ik dat mezelf aan. (Bruce Greyson, prominente BDE-wetenschapper.)
Op de een of andere manier maakt het (een BDE) je bewust van het belang van andere mensen en relaties. (Raymond Moody, schrijver van Life after Life.)
Eigenaardig. Zodra iemand in de andere wereld terechtkomt en daar een glimp van opvangt, gaat de boodschap die hij of zij ontvangt blijkbaar over het weergaloos belang van onze relaties op aarde. Een van de redenen waarom ik hierdoor zo getroffen werd, was dat dit nou juist de boodschap is die ik uit Een cursus in wonderen heb gehaald. Lees de volgende twaalf citaten en probeer het beeld te vatten dat ze van het belang van onze relaties oproepen:
Verlossing kunnen we alleen in relaties vinden. (P2.In.4:3)
Jullie hebben elkaar gevonden en zullen elkaars pad verlichten. (T18.III.8:6; versie Urtekst)
Eén ogenblik samen met je broeder doorgebracht geeft jullie beiden het universum terug. (T18.VII.5:3)
Jij hebt jouw deel in [jouw broeders] verlossing op je genomen, en jij bent nu jegens hem ten volle verantwoordelijk. (T17.VIII.5:5)
Alles wat therapie hoort te doen is te proberen alle betrokkenen in de juiste gemoedsgesteldheid te brengen om elkaar te helpen. (Urtekst)
Iemand vraagt om hulp, een ander hoort dat en probeert te reageren in de vorm van hulp. Dit is de formule voor verlossing. (P2.III.3:4-5)
Niets in de wereld is heiliger dan iemand te helpen die om hulp vraagt. En twee komen heel dicht bij God in deze poging, hoe beperkt die ook is en hoe zeer die ook in oprechtheid tekortschiet. (P2.V.4:2-3)
Als hun relatie heilig moet worden, dan zal wat de een ook maar nodig heeft door de ander worden gegeven; wat de een ook maar tekort komt, zal de ander verstrekken. (P3.III.4:4)
Niemand wordt door toeval naar iemand anders gezonden. (P3.III.6:2)
Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. (T8.III.4:1)
Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al is het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. De verlossing is gekomen. (H3.2:6-8)
Maar allen die elkaar ontmoeten zullen elkaar eens weer ontmoeten, want het is het lot van alle relaties om heilig te worden. (H3.4:6)
Wanneer we deze citaten lezen, kunnen we alleen maar verbaasd zijn over het grote belang dat ze aan onze relaties toekennen. Maar dit thema blijft niet beperkt tot dit kleine aantal passages. Het gehele pad van de Cursus is er een van het zich bewust worden dat andere mensen niet die vervelende lastpakken zijn die we dachten. Integendeel, zij stralen letterlijk van waardigheid en betekenis. Het is deze bewustwording die ons van onze ketenen bevrijdt: "...en ieder wordt bevrijd als hij in plaats van de aanvaller die hij dacht te zien, zijn verlosser ziet." (T22.VI.8:1) De schrijver van de Cursus zegt dat wanneer iemand ernaar streeft om zijn denkgeest open te stellen voor de ware werkelijkheid, "het altijd de een of andere verandering in zijn waarneming van intermenselijke relaties is die hem daartoe in staat stelt." (PIn.1:6)
Toch gaat het in de Cursus over meer dan een strikt interne verandering in onze waarneming van anderen. Hij gaat ook over het zich met anderen verenigen in een gemeenschappelijk doel. "Een ieder moet één doel met iemand anders delen en hierdoor alle besef van gescheiden doelen verliezen." (P2.II.8:4) Dit is natuurlijk een heilige relatie, en de Cursus zegt letterlijk dat "je heilige relatie de bron van je verlossing" is. (T20.VIII.6:9)
We zouden zelfs een stap verder kunnen gaan. In de Cursus zijn onze relaties niet alleen maar de bron van onze verlossing, ze worden ook geacht de focus van ons leven te zijn. De Cursus zegt dat onze "functie op aarde genezen is" (T12.VII.4:7), wat zoveel betekent als het uitbreiden van genezing naar anderen. Zeggen dat dit onze functie is, is zeggen dat dit is waarvoor we geschikt zijn, waarom we hier zijn. Net zoals het de functie is van een broodrooster om brood te roosteren, zo is het onze functie om mensen te genezen. Deze wordt geacht ons gedrag volledig te omvatten. "De Heilige Geest leert jou je lichaam alleen te gebruiken om jouw broeders te bereiken, zodat Hij Zijn boodschap via jou onderwijzen kan." (T8.VIII.9:1) En onze taak wordt geacht voltijd te zijn want "ieder moment van de dag" zal deze verder gaan en zich zelfs voortzetten "in de gedachten tijdens de slaap". (HIn.1:6) De Cursus belooft zelfs dat we een speciale vorm van deze functie zullen ontvangen voor de ondersteuning van onze bijzondere kwaliteiten (zie WdI.154.2:2), zodat de mensen die we dienen het allerbeste in ons krijgen.
Deze aandacht op onze relaties breidt zich uit tot in alle hoeken en gaten van onze dag. Er wordt van ons verwacht dat we wakker worden en zeggen: "Help mij om vandaag welk wonder ook te doen die U van mij verlangt." (Urtekst) We worden geacht iedere morgen een ogenblik stil te staan bij elk van onze relaties en onszelf daarin opnieuw geboren te laten worden. "Gebruik geen enkele relatie om jou aan het verleden te binden, maar wordt met elk ervan elke dag opnieuw geboren. Een minuut, en minder zelfs, zal volstaan..." (T13.X.5:2-3). Vervolgens wordt er van ons verwacht dat we onze dag binnentreden en voortdurend uitkijken naar situaties die een wonder van ons behoeven (zie WdI.77.7.4-5). Er wordt ons gevraagd letterlijk iedereen die we ontmoeten te zegenen (zie WdI.37.6:2). We worden geacht iedere toevallige ontmoeting te beschouwen als een potentiële heilige ontmoeting, die in werkelijkheid helemaal niet toevallig is, maar bewerkstelligd door de Heilige Geest ter wille van het heilige potentieel.
Dus, wanneer we 'toevallig' samen met een vreemde in een lift staan, moeten we daarmee omgaan als een geplande ontmoeting met een uit het oog verloren vriend (zie H3.2:2-5). Wanneer een kind per ongeluk tegen ons oploopt, behoren we daarmee om te gaan als een door God geschonken gelegenheid om dit kind te laten merken dat ze in ieder geval waardig is. Ook al heeft ze niet gekeken waar ze liep (zie H3.2:2-5). Als we er de pest in hebben dat we een zeker iemand in de supermarkt zijn tegengekomen, moeten we ons realiseren dat 'de pest' hier een eufemistische dekmantel is voor echte 'boosheid'. We dienen dan te proberen het licht in deze persoon te zien en toelaten dat dit licht ons ontwaakt (zie WdI.121.10-13). Er wordt van ons verwacht dat we ons zodanig op heilige ontmoetingen concentreren dat we zelfs de heilige ontmoetingen van anderen als die van onszelf beschouwen: "Een broeder glimlacht naar een ander en mijn hart wordt verblijd. Iemand spreekt een woord van goedheid of dank en mijn denkgeest ontvangt dit geschenk en maakt het tot het zijne." (WdII.315.1:3-4) Wanneer we al deze passages bij elkaar brengen, kan het resultaat heel verrassend zijn. Is de manier waarop we met anderen omgaan werkelijk zo belangrijk? Ziet de Cursus echt elk van onze interacties zo doortrokken van dit soort goddelijke betekenis? Toch zou dit ons eigenlijk niet moeten verbazen. Per slot van rekening is de Cursus gekomen met het doel Helen Schucman en Bill Thetford te helpen om de "betere manier" van de laatstgenoemde in praktijk te brengen. En kijk eens hoe Helen die "manier" beschrijft:
[Bill] zou niet boos worden en was vastbesloten om niet aan te vallen. Hij zou zoeken naar een constructief aspect in wat de mensen daar zeiden en deden, en zou zich niet focussen op vergissingen en fouten aanwijzen. Hij was van plan liever samen te werken dan te wedijveren. (Absence from Felicity, door Ken Wapnick, p. 94)
Dit besef van het belang van relaties voert ons dus helemaal terug naar de genesis, naar het ontstaan van de Cursus, want het oorspronkelijke doel van de Cursus was om Helen en Bill bij te staan in hun leerproces om "liever samen te werken dan te wedijveren". Hij [de Cursus] kwam, zogezegd, om hen (en ons) te leren hoe zij (en wij) met elkaar moesten omgaan.
Hoe past dit in de metafysica van de Cursus?
Ondanks alles wat ik gezegd heb, is er eigenlijk een zeer goede reden dat de betekenis van onze relaties ons wellicht verbaast. Die reden ligt in de metafysica van de Cursus. De Cursus leert openlijk en herhaaldelijk dat deze wereld een illusie is. En dat lijkt het belang van onze aardse relaties, evenals dat van al het andere in deze wereld, te ondergraven. Laten we nog even hierbij stilstaan. Als alles in deze wereld een illusie is, dan zijn onze relaties hier dat evenzeer. En hoe kan een illusie belangrijk zijn? Waarom al die ophef over iets wat niet werkelijk is?
Ik denk dat de meeste studenten van de Cursus met dit gegeven worstelen, ook al gebeurt dat onbewust. Als Cursusstudent krijgen we steevast de volgende twee boodschappen: 1) onze relaties in deze wereld zijn ongelooflijk belangrijk. 2) alles in deze wereld is maar illusie. Hoe kan men aan de frictie tussen deze twee ontkomen? Ze lijken niet samen in één denksysteem te passen. We moeten stellig de ene afzwakken, zodat die kan stroken met de andere. Dit is wat ik feitelijk zie gebeuren. Als we op boodschap 1 (het belang van onze relaties) de nadruk leggen, krijgen we over het algemeen een Marianne Williamson- of Jerry Jampolskyachtige interpretatie van de Cursus. In deze interpretatie wordt prachtig de nadruk gelegd op geven en ontvangen. En wordt er behoorlijk wat nadruk gelegd op hulp en verbintenis met anderen. Maar er wordt weinig of niet gerept over het feit dat deze wereld een droom is. Er bestaan inderdaad ook interpretaties van de Cursus waarin de wereld werkelijk is en door God geschapen; alleen de wereld zoals we die zien is een illusie.
Als we daarentegen de nadruk leggen op boodschap 2 (de metafysica van de Cursus) dan neigen we naar een Ken Wapnickachtige interpretatie van de Cursus. Hier krijgt de illusoire aard van de wereld op een bewonderenswaardige manier de nadruk, terwijl onze relaties er bekaaid vanaf komen. Ze zijn wel belangrijk, maar alleen als een gelegenheid om met onze eigen projecties in contact te komen. Inderdaad, bij deze interpretatie krijg je vaak de indruk dat andere mensen niets meer zijn dan onze eigen projecties. Een indruk die wordt versterkt door uitspaken als There's no one out there (Daar, buiten jezelf, is er niemand meer.). [uitspraak van Ken Wapnick, R.B.] Als daar, buiten jezelf, er niemand meer is, wat doet deze redenering dan met het concept relatie? Ze lijkt zich hiervan te ontdoen.
Dit kan gemakkelijk op een onoplosbaar dilemma lijken, omdat we ons altijd genoodzaakt zullen voelen om een compromis te vinden tussen het ene aspect van de Cursus en het andere. Maar er is een uitweg. Die uitweg is een nauwkeurig begrip van de metafysica van de Cursus.
Veel Cursusstudenten gaan ervan uit dat de transcendentale werkelijkheid van de Cursus (ook wel de Hemel genoemd) een soep van puur bewustzijn is. In deze soep zijn er geen wezens (in het meervoud); er is alleen maar eenheid. God en de Zoon zijn in werkelijkheid hetzelfde met verschillende namen. Niet alleen verschilt de Zoon niet van God, er zijn ook geen individuele Zonen. De schijn van meerdere Zonen is een illusie die veroorzaakt werd door de afscheiding. En tenslotte, de Heilige Geest is in werkelijkheid maar een metafoor. Dus, in plaats van wezens (Vader, Zoon, Heilige Geest), is er één enkel domein van puur zijn. In zo'n rijk zou het inderdaad onzinnig zijn om van relatie te spreken, want voor een relatie zijn er natuurlijk twee nodig. Dat betekent dat wat we hier op aarde doen, waar verschillende wezens met elkaar een relatie aangaan, absoluut geen tegenhanger in de werkelijkheid heeft. En als ze geen tegenhanger in de werkelijkheid heeft, moet ze wel louter illusie zijn.
Maar dit is niet de metafysica van de Cursus. Je vindt in de Cursus zelf niets om de eerdere uitspraken te ondersteunen. Je moet zelf die uitspraken in de Cursus leggen. Je moet van de veronderstelling uitgaan: "Wel, dit is zeker wat de Cursus werkelijk bedoelt", omdat deze er nergens zo letterlijk in staan. In plaats daarvan stelt de Cursus ons een intens relationele Hemel voor. In deze hemel is alles één, jawel. Maar op de een of andere manier binnen deze eenheid, is de hemel vol van relaties. Ook al is er volkomen eenheid, er zijn ook wezens in relatie. Dat klinkt misschien wel opzienbarend, maar dat is werkelijk de manier waarop de Cursus altijd spreekt. In feite gebruikt hij vaak het woord relatie om over de Hemel te spreken. Achtendertig keer, volgens mijn telling, spreekt hij expliciet van relatie in de Hemel - met God, met onze scheppingen, met onze broeders. Ik zal enkele van deze passages hieronder citeren.
Deze relationele hemel begint met een God Die "niet alleen wilde zijn". (T11.I.1:6, 5:7, 6:3, 11:2; T11.III.2:4) Daarom schiep Hij een Zoon. Deze Zoon is één met God en deelt Zijn eigenschappen, maar er is een wezenlijk verschil: de Zoon is het Gevolg en God is de Oorzaak. En dat verschil zal nooit worden uitgewist (zie WdII.326.1:2). Vanwege dat verschil is het zinnig om te spreken van "de relatie tussen God en Zijn Zoon". (T16.VI.1:4; cursivering van mij). Verder, binnen deze ene Zoon zijn er talloze Zonen. Ze zijn "...de som van al Gods Gedachten, oneindig in getal..." (WdII.11.1:1) Deze Zonen zijn geen illusoir product van de afscheiding, maar werden door God Zelf in het begin geschapen. "God...heeft wezens geschapen die elk voor zich alles hebben, maar die dat willen delen om hun vreugde te vergroten." (T4.VII.5:1) En ook deze Zonen staan in relatie tot elkaar. Verwijzend naar jouw hemelse staat als een van deze Zonen, spreekt de Cursus van: "De prachtige relatie die jij met al jouw broeders hebt..." (T28.VII.2:1)
De idee van relatie in de hemel maakt het voor ons ook mogelijk om de Heilige Geest te begrijpen die geschapen werd na de afscheiding. Want de afscheiding was een verbreking van de relatie met God. Ze was een scheur in het weefsel van relaties in de Hemel. Dit is de reden waarom God de Heilige Geest heeft geschapen. Door onze relatie met de Heilige Geest behouden we deels onze oorspronkelijke relatie met God. En dit betekent dat die oorspronkelijke relatie nog steeds heel is. Dit alles staat duidelijk in de volgende passage:
En de waarheid is dat de Heilige Geest in nauwe relatie met je staat, omdat in Hem jouw relatie met God voor jou is hersteld. De relatie met Hem [God] is nooit verbroken geweest, want de Heilige Geest is sinds de afscheiding van niemand gescheiden. (T17.IV.4:5-6)
De Hemel is dus niet alleen maar volmaakte eenheid. Hij kan even nauwkeurig beschreven worden als volmaakte relatie. In de Hemel zijn er wezens - God, de Zoon, de Zonen, onze scheppingen, de Heilige Geest. En deze wezens zijn in relatie met elkaar verbonden. En niet zomaar een relatie, maar een "relatie van volmaakte eenheid en ononderbroken continuïteit". (T20.VI.1:5) Hun relatie is zo innig dat ze naadloos overgaat in eenheid.
Dus, op de een of andere manier is er in de Hemel zowel veelvoudigheid (wezens in relatie) als eenheid. Dit is, toegegeven, moeilijk te bevatten. De Cursus zegt eigenlijk dat het nu voor ons onmogelijk is. Daarin staat dat onze huidige denkgeest niet ten volle kan begrijpen dat "één broeder alle broeders [is]" dat "elke denkgeest alle denkgeesten [omvat]". (WdI.161.4:1-2) We kunnen niet snappen hoe meerdere wezens volmaakt één kunnen zijn. Maar dat is okay. We hoeven het nu nog niet te snappen.
En nu naar de clou van het artikel. Dat de Hemel volgens de Cursus zo fundamenteel relationeel is, heeft enorme gevolgen voor het leven op aarde. Door de relatie te integreren in het hemelse bestel zelf, legt de Cursus een metafysische basis voor het belang van de relatie op aarde.
Door deze integratie en metafysische basis geeft de Cursus ons de volledige oplossing van het dilemma dat we eerder zagen. In dit dilemma voelden we ons genoodzaakt of de metafysica van de Cursus af te zwakken of het belang dat hij [de Cursus] aan de relatie hecht. De noodzaak kwam voort uit ons verlangen om die twee aspecten met elkaar te laten stroken. Nu hoeven we geen van beide af te zwakken, want ze zijn niet meer met elkaar in tegenspraak. Ze kunnen samen geheel overeind blijven naast elkaar, omdat ze perfect in en bij elkaar passen.
Nu zijn onze liefhebbende, vriendelijke, hechte en harmonieuze relaties op aarde een weerspiegeling van de volmaakte relaties in de Hemel. Deze reflectie is niet werkelijk, maar ze is de meest nauwkeurige benadering van de werkelijkheid die hier op aarde kan bestaan. De aardse relatie als de weerspiegeling van de hemelse is niet het resultaat mijn eigen wijsgerige overpeinzingen. De Cursus brengt dit punt zelf telkens weer ter sprake. De volgende citaten laten wat dat betreft niets aan duidelijkheid te wensen over.
De heilige relatie weerspiegelt de ware relatie die Zoon van God in de werkelijkheid met zijn Vader heeft. (T20.VI.10:1)
Want wanneer je het [het blije feit van de functie van je heilige relatie] van harte hebt aanvaard, zul je beseffen dat jullie relatie een weerspiegeling is van de eenheid van de Schepper met zijn Zoon. (T22.VI.14:5)
Want de therapeutische relatie moet worden als de relatie van de Vader en de Zoon. (P3.II.5:4)
Heel de werkelijkheid van jouw relatie met [God] ligt in onze relatie tot elkaar. (T17.IV.16:7)
Je hebt een werkelijke relatie, en die heeft betekenis. Ze lijkt evenzeer op jouw werkelijke relatie met God als gelijke dingen op elkaar lijken. (T20.VI.12:5-6)
De middelen om terug te keren
We hebben (door de Cursus heen) nu drie punten ruimschoots bevestigd gezien. Ten eerste, onze relaties op aarde zijn uitermate belangrijk. Ten tweede, de Hemel is een rijk van volmaakte relatie. Ten derde, de eerste is een reflectie van de tweede. Onze liefdevolle relaties op aarde zijn de weerspiegelingen van de hemelse staat van volmaakte relatie.
Om het plaatje compleet te maken, moeten we er nog een laatste punt aan toevoegen. De weerspiegeling ontwaakt ons tot datgene wat ze weerspiegelt. Door (hoe beperkt dan ook) een aardse afspiegeling van de hemelse relatie in de praktijk van ons leven te brengen, ontwaken we tot de Hemel zelf. Door de ogen constant gericht te houden op het weerkaatste licht, worden we opgeheven tot de Bron van het licht. Jezus windt hier geen doekjes omheen. Hij zegt:
Een één-op-één-relatie is niet Eén Relatie. Toch is ze het middel om terug te keren. (P3.II.4:6-7)
Volgens deze passage is een relatie met een ander mens niet hetzelfde als "Eén Relatie" die we met God hebben. De eerste is niets meer dan een "één-op-één-relatie", wat het beeld oproept van twee aparte, afgescheiden personen die bij elkaar komen. De tweede is "Eén Relatie", wat duidt op een band die zo volkomen is dat in plaats van één-op-één er slechts "Eén" is. Dit soort totale eenheid is niet iets wat we op aarde (waar lichamen en ego's muren tussen ons optrekken) kunnen bereiken. Daarom is de eerste (één-op-één-relatie) niet de tweede (Eén Relatie). "Toch" zegt Jezus "is ze het middel om terug te keren. De eerste is de weg terug naar de tweede. Dit is het volledige plan van de Cursus om ons thuis te brengen. "Deze heilige interactie is het plan van God Zelf, waardoor Zijn Zoon wordt verlost." (P2.V.5:8)
Als we dit begrijpen, dan biedt het ons als studenten van Een cursus in wonderen een totaal andere manier om in de wereld te staan. We kunnen ophouden om ons te schamen voor het belang van onze relaties vanwege de schijnbare tegenstrijdigheid tussen dat belang en de metafysica van de Cursus. We kunnen ophouden de wezenlijke betekenis van relaties te ondermijnen met uitspraken als "daar, buiten onszelf, is er niemand meer". Wanneer we anderen helpen, kunnen we ophouden die hulp te bagatelliseren met uitspraken als "ik weet dat dit niet echt deel uitmaakt van de Cursus".
In plaats daarvan kunnen we erkennen dat de boodschap van onze relaties niet alleen uit de mond komt van hen die het licht gezien hebben in BDE's, maar ook uit de bladzijden van Een cursus in wonderen. En dan is het mogelijk om dit tot de essentie van ons leven te maken. We kunnen ons de hele dag wijden aan de oefening om mensen anders te zien. We kunnen ons in gemeenschappelijke doelen met anderen verenigen, "en hierdoor alle besef van gescheiden doelen verliezen". (P2.II.8:4) We kunnen leven alsof het genezen van andere mensen werkelijk onze functie is. We kunnen de belichaming worden van de werkboekzinnen: "Ik ben het licht van de wereld. Dat is mijn enige functie. Dat is de reden waarom ik hier ben." (WdI.61.5:3-5) En we kunnen iedere ontmoeting, hoe onbeduidend ook, benaderen alsof die bewerkstelligd is door de Heilige Geest (vanwege haar vermogen om een heilige ontmoeting te worden). We kunnen ons leven veranderen in een smetteloze spiegel die niets anders weerspiegelt dan de zuivere, naadloze relatie van de Hemel.
Stel je eens voor dat duizenden van ons precies dit zouden doen. Dat duizenden figuren als Rocky, de maffiageldloper, geleerd zouden hebben dat "samenwerking en liefde belangrijke zaken zijn" en daarom ontspoorde kinderen en slachtoffers van mishandeling binnen het huwelijk zouden helpen. Zie ons in gedachten daar eens, ergens buiten onszelf, hulp bieden en ons met anderen verbinden, niet als een afdwaling van de metafysica Cursus, maar als een vervulling. Dan zouden we bezig zijn het doel na te streven waartoe de Cursus ontstaan is. We zouden bezig zijn Bill Thetfords "betere manier" in de praktijk van ons leven te brengen.
Het is waar dat een één-op-één-relatie op aarde nooit de perfecte relatie kan worden zoals die in de Hemel bestaat. Maar wanneer het aankomt op ons leven binnen de illusie, is dit toch het plan van God Zelf. Het is het middel om terug te keren.
Robert Perry
Vertaling: Ronald Belfor
Dit artikel werd met toestemming overgenomen van www.circleofa.org
Return to top | Send Reader Feedback | | Printer friendly version
Dear friend: We offer the materials on this website to you in the hope that they can serve you well on your journey home. Your continuing donations support the work of the Circle of Atonement. Thank you.
Click here to make a Donation.
This material is copyrighted by the Circle of Atonement, P.O. Box 4238, W. Sedona, AZ 86340. All rights reserved. The opinions expressed are the personal interpretation and understanding of the author(s).
Please report problems to the webmaster.