Hoe lang duurt het tot ik hier vanaf ben?

door Robert Perry

In mijn dagen als Christen was het makkelijk om te weten wanneer de verlossing zou komen: Als je dood ging kwam je in de Hemel. Maar nu ik een Coursestudent ben is het toch een beetje ingewikkelder. De Cursus weerlegt de traditionele zienswijze dat de fysieke dood de hemelpoort zou zijn: 'Misschien denk je dat dit door de dood volbracht wordt, maar niets wordt door de dood volbracht, omdat de dood niets is' (T-6.V(A).1:2). Volgens de Cursus kabbelt onze reis door tijd en ruimte al miljoenen jaren voort. Dit leven is slechts een klein kamertje tijdens onze toch door duizenden wolkenkrabbers. Wie weet hoe lang deze tocht nog zal duren?

Ik geloof dat deze vraag een bron van angst is voor vele, zo niet alle Coursestudenten. De angst wordt zichtbaar in de vorm van vele knagende vragen ergens in ons achterhoofd: 'Hoe maak ik het? Hoe is mijn vooruitgang? Hoe dicht ben ik het einde al genaderd? Is dit mijn laatste leven? Werk ik misschien alleen maar mijn laatste lessen af? Ben ik misschien al klaar en wacht ik enkel op God om de laatste stap te nemen? Zal ik het ooit halen? Ben ik misschien een hopeloos geval? Zal iedereen er vóór mij zijn? Als het honderden of zelfs miljoenen jaren duurt om het doel te bereiken, is het dan wel de moeite waard om door te gaan? Kan ik mijn inspanningen zo lang volhouden?'

In dit artikel wil ik graag mijn visie aanbieden op de vraag hoe lang het duurt tot we in de Hemel komen. Ik wil de lezer bij voorbaat waarschuwen dat mijn zienswijze hieromtrent voor Coursestudenten extreem is. Ik kan niet zeggen dat ik in bezit ben van de absolute waarheid over dit onderwerp. Ik heb alleen maar mijn eigen begrip, gebaseerd op mijn studie van de Cursus, van enkele andere leringen en van de menselijke natuur.

Totale verlossing is op elk moment beschikbaar

Een van de meest karakteristieke kenmerken van de Cursus is hoe bereikbaar de verlossing wordt geacht. De Cursus legt de nadruk erop dat de totale bevrijding van het ego en van de menselijke conditie mogelijk is, gemakkelijk en natuurlijk (hij noemt verlossing meer dan 20 keer 'gemakkelijk'). Hij zegt dat er niets in het universum is dat tussen ons en de verlossing staat behalve ons eigen tekort aan bereidwilligheid. We hebben geen zondige natuur, de wereld houdt ons niet tegen, en God legt ons geen eisen op. De hemelpoorten staan wijd open, en alles wat we hoeven te doen is binnenwandelen.

Als gevolg hiervan wordt op elk en ieder moment van ons leven, dit inbegrepen, totale verlossing ons aangereikt. Ze is vlak voor onze neus: 'Ik hoef slechts mijn handen uit te steken om haar te vinden' (WdII.355.1:3). We hoeven haar slechts meer te willen hebben dan haar te willen afslaan.

De nadruk van deze Cursus is altijd dezelfde: het is op dit moment dat volledige verlossing jou aangeboden wordt, en het is op dit moment dat je haar kunt accepteren. (H.24.6:1)

Veel spirituele systemen opperen dat er een noodzakelijk programma van uiterlijke ervaringen bestaat die we moeten doorlopen voordat we vervolmaakt worden. Als we dan een van de lessen tijdens de weg overslaan ontstaat er een gat in onze ontwikkeling. Maar de Cursus staat duidelijk buiten deze gedachtengang. Hij zegt dat we overal tijdens de weg de uiteindelijke realisatie kunnen hebben (H22.2:5). Hij zegt dat een wonder ons in staat stelt om in één ogenblik te leren wat anders een lange serie van uiterlijke lessen geduurd had en we zodoende in staat zijn om deze lessen over te slaan (T-1.II.6:5). Hij zegt dat we zelfs van de ervaringen van anderen kunnen leren: 'Je kunt van hun ervaringen leren, en je kunt ervan winst boeken zonder ze zelf direct te ervaren' (T-6.I.10:5).

De voortdurende toon van de Cursus omtrent onze verlossing is er een van hoop, zelfs zekerheid. We zullen het klaarspelen: 'Het einde is zeker en wordt door God gegarandeerd' (VvT.epiloog.1:10). Uiteindelijk hebben we in de eerste plaats nooit werkelijk de Hemel verlaten. En zo gauw we leken te vertrekken heeft de Heilige Geest ons teruggebracht. Nu herhalen we eenvoudigweg mentaal een reis die al voorbij is. En zelfs deze herhaling wordt gegarandeerd volbracht, in het bijzonder omdat Jezus haar voor ons allen al volbracht heeft.

Deze optimistische houding wordt door heel de Cursus heen in specifieke opmerkingen weerspiegeld. In de tekst wordt ons herhaaldelijk verteld dat we dicht bij het einde van de reis zijn. Hoofdstuk 16 staat bol van zulke verzekeringen:

Je bent de waarheid dicht genaderd ... (T-16.IV.7:6). Want je bent de waarheid te dicht genaderd om haar nu te ontkennen ... (T-16.II.6:9). Wees niet onwillig nu; je bent te dichtbij, en je zult in volmaakte zekerheid de brug overgaan ... (T-16.IV.2:5). De reis die zonder einde leek is bijna compleet, want wat zonder einde is is heel dichtbij. Je hebt het bijna herkend (T-16.IV.12:3-4).

In hoofdstuk 19 wordt ons herhaaldelijk verteld dat enkel een minuscuul fragment van ons ego overgebleven is, een 'kleine muur', een 'microscopisch overblijfsel', 'een klein veertje', 'een verdwijnende sneeuwvlok'. Met andere woorden: de oorlog is voorbij, het ego is bijna opgelost. 'Je hebt het einde van een eeuwenoude reis bereikt ...' (T-18.VIII.13:1).

In het werkboek gaan deze opmerkingen door. Ons wordt herhaaldelijk gezegd dat we er bijna zijn:

Nu is de weg die we nog reizen kort. We zijn inderdaad dicht bij het vastgestelde einde van de droom. (WdI.122.10:3-4). Het is heel dichtbij. Ik hoef nog maar een ogenblik lang te wachten om voor eeuwig in vrede te zijn (cursief; WdII.355.1:5-6).

Veel lessen lijken zelfs te beloven dat vandaag, door juist deze les te doen, we het doel zullen bereiken: 'Dit is de dag wanneer heelwording ons deel wordt. Dit is de dag dat de afscheiding eindigt en we ons herinneren Wie wij werkelijk zijn' (WdI.140.12:7-8). In feite brengen we het geheel van deel II van het Werkboek door met wachten op God om de laatste stap te nemen en ons tot Hem op te tillen: 'we wachten in stille verwachting op onze God ... [om] Zelf de laatste stap te nemen' (WdII.In.2:2-3).

Wanhoop over het bereiken van het doel

Ik denk dat de Cursus deze optimistische toon om een heel belangrijke reden vasthoudt. Terwijl we de hele tijd ons glorieuze doel nastreven fluistert het ego ons in dat we het nooit zullen klaarspelen: 'Deze Cursus is te moeilijk, je zult het nooit halen.' 'Geef je werkboekles van vandaag maar op, het is toch hopeloos. Beter nog, geef het hele werkboek maar op'. 'Dit concept is beslist te verheven voor jou om het ooit te halen.' 'Waarom zou ik vandaag proberen Jan te vergeven als ik Toos gisteren niet vergeven heb?' 'Kijk naar Ans, ze is twee keer zo'n goede Coursestudent als ik ooit worden zal.'

Natuurlijk ligt onder al deze kleine wanhopige stemmen de Grote Wanhoop: het geloof dat we het niet waardig zijn om met God samen te zijn en dat ook altijd zullen blijven. 'Het [ego] spreekt tot jou over de Hemel, maar verzekert je dat de Hemel niet voor jou is. Hoe kan de schuldige hoop op de Hemel koesteren?' (T-15.I.3:6-7)Ergens diep in onze geest zijn we er rotsvast van overtuigd dat wij en onze Schepper van verschillende soort en uit verschillende universa zijn, en dat die twee elkaar nooit zullen ontmoeten.

Deze wanhoop lijkt een objectieve vaststelling van de feiten te zijn. Het lijkt erop alsof we de toestand van onze beperkingen en de grootte van onze weerstand eerlijk beoordelen. Maar ironisch genoeg is deze wanhoop zelf een vorm van weerstand. Geloof komt van verlangen. We geloven dat we onwaardig zijn om naar huis terug te keren omdat we er nog steeds naar verlangen ervoor weg te lopen. Onze wanhoop is daarom niet een rationele gevolgtrekking maar een intentieverklaring. 'Ik twijfel of ik de terugweg naar huis haal' betekent: 'Ik wil wegblijven'.

Maar dit is niet de bodemlaag van onze wanhoop. Onder het hardnekkige aandringen van het ego dat we het niet kunnen halen is zijn angst dat we het zullen halen. Zodra we het spirituele pad bewandelen raakt het ego in paniek. 'En nu is het ego bang' (T-21.IV.7:1). Het vertelt ons dat al onze inspanningen waardeloos zijn enkel omdat het angstig herkent dat ze effect hebben.

Op een nog dieper niveau is de oorzaak van onze wanhoop een verkeerde identificatie met de wanhoop van het ego. 'Het is zijn eigen wanhoop die het in jou ziet' (WdI.151.5:6). Het merkt op dat het dit spel niet voor altijd vol kan houden, dat zijn dagen geteld zijn. En als een laatste wanhoopspoging probeert het ego ons ervan te overtuiging dat zijn vertwijfelde poging om ons van thuis weg te houden in werkelijkheid onze vertwijfelde poging is om thuis te komen. In die zin kan onze wanhoop als een teken van vooruitgang beschouwd worden, het ego maakt zich ongerust.

Ik geloof dat wanhoop een van de meest verlammende dingen op het spirituele pad is. Als we daarom door haar zogenaamd redelijke natuur heen kijken en ontdekken dat het een misleidende ego-truc is kunnen we deze luchtbel van het ego uiteen laten spatten. Probeer je de volgende keer, als je de hoop over je spirituele reis verliest, dit te herinneren. Zeg tegen jezelf dat het in het geheel niet hopeloos is, dat je het kunt en zult halen, dat je thuiskomst gegarandeerd is. Herinner je eraan dat je wanhoop een dekmantel is voor 1) je weerstand om te ontwaken 2) de erkenning van je ego dat je ontwaakt en 3) zijn wanhoopsgevoel dat het jou ontwaken niet kan tegenhouden.

Grootheidswaan

Wanhoop op het spirituele pad veroorzaakt nog een andere ego-compensatie die misschien nog verlammender is dan de wanhoop alleen. Dit wordt beschreven in de paragraaf 'Grootheidswaan en Grootsheid' in hoofdstuk 9. De situatie is als volgt: We hadden een ervaring van Gods grootsheid en als gevolg daarvan hebben we gezien hoe klein en betekenisloos het ego is.

Wanneer dit gebeurt, zelfs terwijl het dit niet begrijpt, gelooft het ego, dat zijn 'vijand' toegeslagen geeft en probeert het ego geschenken aan te bieden om jou te bewegen naar zijn 'bescherming' terug te keren. Zelfinflatie is het enige aanbod dat het kan doen. De grootheidswaan van het ego is zijn alternatief voor de grootsheid van God. Welke zal je kiezen?

Grootheidswaan is altijd een dekmantel voor wanhoop. Hij is zonder hoop, omdat hij niet echt is. Hij is een poging om jouw kleinheid tegen te gaan, dat gebaseerd is op het geloof, dat deze kleinheid werkelijk is. Zonder dit geloof is grootheidswaan zonder betekenis en zou jij er onmogelijk naar kunnen verlangen. De kern van grootheidswaan is concurrentie, omdat hij altijd aanval inhoudt. Hij is een misleidende poging om te overtreffen, maar niet om ongedaan te maken. (T-9.VIII.1:4-2)

Anders gezegd heb je een voorproef gehad van de werkelijke grootsheid. Vervolgens voelt het ego zich bedreigd en biedt het jou zijn vervalsing van grootsheid aan. Dit is grootheidswaan, een staat van opgeblazenheid van jezelf waarin je je beter voelt, meer gevorderd, specialer en heiliger dan anderen. Je accepteert dit namaaksel omdat je vertwijfeld bent of je het ooit en voor altijd werkelijk zult vinden. Diep in jezelf voel je dat je de ware grootsheid nooit waard zult zijn en je genoegen moet nemen met de vervalsing. Grootsheid is dus het bewijs van hoe klein je je in werkelijkheid voelt.

Nu zul je er niet bewust van zijn hoe wanhopig je bent. In tegendeel, je zult vervuld zijn van vervoering omdat je met de laatste etappe van je spirituele reis bezig bent. Je zult je ervan bewust zijn dat je een ongelooflijke spirituele zoeker bent, een onverschrokken pionier, onderdeel van een spirituele elite, een stralend licht tegen het mistroostige duister, één van de duizenden.

Ik aarzel om hier dieper op in te gaan omdat ik merk dat dit een gevoelige snaar raakt bij Coursestudenten. Ik aarzel ook omdat ik mijn eigen arsenaal van oordelen hierover heb waarmee ik mijn lezerskring niet wil lastigvallen. Misschien kunnen we onze lange tenen en oordelen voor een ogenblik opzij zetten en in naam van onze spirituele reis dit onderwerp zo eerlijk en objectief mogelijk benaderen. Want ik geloof dat het belangrijk is om het aan te raken. Laten we maar eerlijk zijn, wij studenten van de Cursus zijn trots op deze bijzondere kwaal. Velen van ons denken dat we erg gevorderd zijn ofwel al bijna verlicht.

Zoals ik al zei is dat een verlammende geestestoestand op onze spirituele reis, en dat om meerdere redenen. Ten eerste vernietigt het denken dat je al klaar bent (of bijna klaar) je motivatie om meer vorderingen te maken. Ten tweede wordt deze staat volgens mij gekenmerkt door massieve ontkenning. Te denken dat je meer gevorderd bent dan je bent is alleen maar mogelijk als je niet werkelijk naar je ego kijkt. Maar het hele pad van de Cursus is kijken naar het ego, want we kunnen niets loslaten als we niet weten dat het er is. Ten derde maakt het de aanval een wezenlijk bestanddeel van onze weg tot God, want grootheidswaan is een aanval, 'een misleidende poging om te overtreffen, maar niet om ongedaan te maken'. En ten slotte hebben we gezegd dat grootheidswaan vermomde hopeloosheid is. Deze camouflage maakt het zelfs nog moeilijker om haar te ontmaskeren en de basiswanhoop aan te pakken die onze reis tot God zo zwaar maakt.

Hoe gevorderd zijn we?

Terwijl de Cursus enorm veel hoop voor ons koestert toont hij niet bepaald een hoge waardering voor onze tegenwoordige staat van ontwikkeling. Alle opmerkingen dat we zo dichtbij het einde zijn hebben volgens mij meer te maken met de bereikbaarheid van het einde dan met onze staat van vordering. Want tegenover deze opmerkingen staan andere die somberder zijn:

Je begrijpt [de Cursus] nog niet, enkel omdat je hele communicatie die is van een baby. (T-22.I.6:3)

Want je bent nauwelijks begonnen om je toe te staan je eerste onzekere stappen op de ladder omhoog te gaan waarlangs de afscheiding je naar beneden leidde. (T-28.III.1:2)

De meeste professionele therapeuten [dit zou je kunnen generaliseren en lezen 'de meeste leraren/leiders op terreinen waar mensen beterschap zoeken'] zijn nog steeds bij het prille begin van het beginstadium van hun eerste reis. (P3.II.8:5)

Mijn persoonlijke mening hierover is dat wij Coursestudenten ons op dit moment op een spirituele kleuterschool bevinden, mezelf natuurlijk inbegrepen. Misschien zoeken we zelfs nog steeds naar de ingang van het klaslokaal (zoals een vriend van mij het stelde). Misschien heb ik het bij het verkeerde eind, misschien is dit concept te beledigend. Maar waarom zou het dat zijn? Wat is er verkeerd aan om in de kleuterklas te zitten? Als we ons door het concept beledigd voelen, wat in ons is dan beledigd? Zou het misschien de kleuter in ons zijn?

Ik denk dat de Cursus het met me eens zou zijn dat het essentieel is om tevreden te zijn met waar we zijn, in de naam van onze innerlijke vrede en omdat het nutteloos is om te proberen lessen van universitair niveau te leren als we het ABC nog niet eens onder de knie hebben. Er is een passage in de Cursus die ons met name hieromtrent wil aanmoedigen. Ze probeert ons te helpen verzoenen met waar we zijn door te zeggen dat God ermee tevreden is: 'God neemt je aan waar je ook bent en verwelkomt je. Wat zou je meer kunnen wensen als dit alles is wat je nodig hebt?' (H26.4:10-11)

Aan de andere kant zijn er natuurlijk mensen in de wereld die werkelijk gevorderd zijn. We kunnen niet eenvoudig veronderstellen dat iedereen die denkt dat hij gevorderd is in een enorme ontkenningsfase zit. Hoe komen we achter het verschil? Ik weet niet alle antwoorden op deze vraag. Om een indruk te krijgen hoe complex en subtiel deze kwestie is hoef je alleen maar een huidige volgeling en een ex-volgeling van dezelfde leider te nemen en ze met elkaar laten uitzoeken hoe gevorderd deze leider nu eigenlijk is.

Ik kan wel een belangrijk contrast bedenken, namelijk onze vorderingen meten aan de hand van onze eigen eisen ten opzichte van hoe anderen op ons reageren. Stel je aan de ene kant voor hoe veel van onze uitlatingen de onuitgesproken verdiensten over onze ontwikkeling suggereren, b.v. onze spirituele prestaties, gulle daden en verbazingwekkende ervaringen. Stel je verder voor dat we de gekwelde pionier zijn, die ene die een weg baant voor de radicale waarheid, terwijl anderen ons miskennen en verkeerd met ons omgaan omdat ze in het duister verkeren en bang zijn voor het verblindende licht dat we vertegenwoordigen. Zo gezien is de negatieve en ongevoelige reactie van de wereld het bewijs van het hoge plan waar we ons op bevinden (in plaats van het bewijs dat we niet in staat zijn ons met de wereld te verhouden).

Hoevelen van ons kunnen zeggen dat de boven geschetste beschrijving niet op hen van toepassing is, ten minste een klein beetje? Volgens mij is deze beschrijving een klassiek kenmerk van schijnvooruitgang. Na jaren mezelf en andere spirituele zoekers geobserveerd te hebben heb ik de volgende vuistregel bedacht: Alleen het ego beweert spiritueel gevorderd te zijn. De aanspraken die we maken zijn dus hun eigen meest doeltreffende weerlegging. Natuurlijk zal iemand die waarlijk gevorderd is geen valse bescheidenheid veinzen, en in die zin is mijn vuistregel een beetje overdreven. Misschien zou je moeten lezen: alleen maar het ego beweert regelmatig spiritueel gevorderd te zijn. Jezus geeft ons in de Cursus een heel leerzaam voorbeeld, want hij vermeldt maar zelden zijn eigen staat van vordering. En als hij dit doet, dient het slechts om ons te overtuigen dat hij in een uitstekende positie verkeerd om ons te helpen.

Naast onze zelfgemaakte claims is het syndroom van de 'gekwelde pionier' ook een duidelijk teken van schijnvordering. Want het doorstaat niet het onbetwistbare bewijs voor onze ontwikkelingsgraad: hoe anderen op ons reageren. 'Het is makkelijk om grootsheid van grootheidswaan te onderscheiden, omdat liefde beantwoord wordt, en trots niet' (T-9.VIII.8:1). Geloof het of niet, maar hoe anderen op ons reageren is misschien dé toets voor onze ontwikkeling. Dit idee wordt in de 'Test voor de Waarheid' in hoofdstuk 14 gevonden. Het wordt ook in hoofdstuk 15 helder vastgesteld:

En je zult aan hun reacties herkennen wie je gekozen hebt [ego of Heilige Geest]. Een Zoon van God die bevrijd is ... wordt altijd herkend. (T-15.II.4:6-7)

Spirituele vordering die op onze zelfgemaakte aanspraken rust is vals. Ware vordering wordt zichtbaar door hoe veel goddelijks anderen in ons zien, hoezeer ze een warmte ervaren waar ze dichtbij willen zijn, een vrede waardoor ze zich thuis voelen. Er wordt gezegd dat een heilige iemand is die het makkelijk maakt om in God te geloven

Deze maatstaf brengt natuurlijk zijn problemen met zich mee, want er zijn er die een oplichter aanbidden en een avatar willen kruisigen. Deze maatstaf kan ook vervalst worden door anderen subtiel in te huren om ons op een voetstuk te zetten - wat het zelfde is als deze aanspraken zelf te maken. Het kan ook een valkuil worden als we ons uitsloven om indruk op anderen te maken en dan uit te kijken naar hun bevestigende reacties. En toch heeft het iets met het ego te maken als we onze vordering op het pad zelf bepalen, en overstijgt het het ego als we ze aan de reacties van anderen overlaten, aan de hoeveelheid licht dat hun gezichten op ons terugkaatst.

Zullen we morgen hier vanaf zijn?

Maar zou het, ondanks het feit dat sommigen van ons denken dat ze al bijna klaar zijn en zich in enige grootheidswaan laten gaan, niet zo kunnen zijn dat ze het bij het rechte eind hebben? Suggereert de Cursus niet dat we heel binnenkort uit de droom van tijd en ruimte zullen ontwaken?

Eerlijk gezegd denk ik van niet. En daarin bevind ik me waarschijnlijk in een zeer kleine minderheid. De Cursus belooft regelmatig dat we op elk moment kunnen ontwaken. Maar nergens belooft hij dat we dat moment spoedig zullen meemaken. Het is aan God om de verlossing op elk moment beschikbaar te maken. Het ligt aan ons wanneer we kiezen om van Gods aanbod gebruik te maken. En zoals we weten kan er een bijna oneindig verschil bestaan tussen de Wil van God en onze keuzes. De Cursus zegt dat, ofschoon de Heilige Geest ons de hele verlossing in een ogenblik kan leren, het ons een hele lange tijd kan kosten om dat ogenblik aan Hem te geven: 'Het duurt veel langer om jou te onderwijzen om bereid te zijn om dit [ogenblik] aan Hem te geven dan Hij nodig heeft om dit kleine ogenblik te gebruiken om jou de hele Hemel aan te bieden' (T-15.I.11:4).

Het duidelijkste bewijs van het feit dat de Cursus verwacht dat we er een tijd over zullen doen ligt in zijn beeld van ontwaken. Zijn voornaamste voorstelling is er niet een van gewoon je gang te gaan, toevallig Een Cursus in Wonderen oppakken en ineens door een lichtflits van totale verwerkelijking getroffen te worden. Zoals Allen Watson's boekje De Reis naar Huis uiteenzet is het voornaamste beeld van de Cursus er een van een reis waarin we vele te onderscheiden stadia passeren. Anders gezegd ziet de Cursus onze thuiskomst niet in termen van een plotsklaps ontwaken maar in een stapsgewijze ontwikkeling. 'Aan de overgrote meerderheid is een langzaam ontvouwend trainingsprogramma gegeven' (H9.1:7). 'Elke kleine stap zal een beetje van de duisternis ophelderen, en begrip zal uiteindelijk komen om elke hoek van de geest te verlichten die bevrijd werd van de hem verduisterende rommel' (WdI.9.2:5).

Hoelang zal het duren voor er volledig begrip is om onze geest te verlichten? Dat hangt uiteraard van onszelf af. Maar de Cursus bevat vele aanwijzingen dat we te maken hebben met zeer ruime tijdsdimensies.

De tijdsdimensies van de reis

Om enig idee van de tijdsdimensies te verkrijgen laat ons naar deze zin kijken die vrij in het begin van de tekst staat:

Net zoals de afscheiding miljoenen jaren in beslag nam, zal het Laatste Oordeel een evenredig lange periode duren, en misschien zelfs langer. (T-2.VIII.2:5)

De uitdrukking 'miljoenen jaren' is op zich al indrukwekkend, maar maakt nog meer indruk als je de passage van dichterbij bekijkt. Want 'miljoenen jaren' slaat niet op de droom als geheel maar op zijn pril begin en het allerlaatste einde. De afscheiding, de gebeurtenis die het geheel in werking zette, 'nam miljoenen jaren in beslag'. Het Laatste Oordeel, de uiteindelijke heelwording, die alleen maar begint als we heel dichtbij de perfectie gekomen zijn, zal eveneens miljoenen jaren duren. Deze passage zegt niet: 'De droom is al miljoenen jaren aan de gang en zal miljoenen jaren duren totdat hij over is'. Het zegt iets dat veel extremer is: 'Het prilste begin van de droom nam miljoenen jaren in beslag, en zo zal ook zijn uiteindelijke afloop duren'.

Hier is natuurlijk sprake van een collectief proces. Een individuele ervaring van het Laatste Oordeel hoeft niet miljoenen jaren te duren. Een paar zinnen later worden we in feite aangespoord om onze individuele geest 'snel' te bevrijden zodat we het collectieve proces kunnen inkorten. Maar toch geeft ons deze passage een gevoel voor het tijdsbestek waarmee we te maken hebben.

Als het alleen al miljoenen jaren duurde om zich af te scheiden, hoe veel tijd is er dan niet na de afscheiding voorbijgegaan? Dit is tamelijk eenvoudig bij benadering te zeggen, ongeacht hoe schokkend het antwoord is. De afscheiding is op z'n minst net zo oud als het fysieke universum omdat de afscheiding het voortgebracht heeft. Wetenschappers schatten dat het universum tussen de 14 en 20 miljard jaren oud is. De suggestie is onthutsend: We wandelen op z'n minst al 14 miljard jaren in de droom van afscheiding rond! Zulke tijdsdimensies gaan ons huidig voorstellingsvermogen ver te boven. Voordat de dinosauriërs geboren werden en stierven, voordat de aarde zich uit de oermaterie samenbalde, droomden we al dat we beperkte en zondige individuen waren die een bepaald soort vorm of lichaam hadden en die zich door een of andere soort van tijd en ruimte bewogen en van hun Schepper afgescheiden waren. Mijn God, wat hebben we in al die tijd toch gedaan? Hoe konden we de afscheiding zo lang door laten gaan? Dit kolossale tijdskader geeft ons enig perspectief van waaruit we de volgende passage kunnen bekijken:

Tijd gaat dus in wezen terug naar een ogenblik dat zo lang geleden is dat het voorbij elke herinnering ligt, en zelfs voorbij elke mogelijkheid tot herinnering. (H2.4:1)

Nochtans je zult in ontelbare situaties kiezen, en door de tijd heen die geen einde lijkt te hebben, tot dat de waarheid je keuze is. (T-24.VI.7:2)

Een andere wenk omtrent de tijdsdimensies van de reis wordt ons gegeven als er gezegd wordt dat we 'eeuwen van inspanning' (T-18.VII.7:3) kunnen besparen en dat 'vaak duizend jaar of meer bespaard kunnen worden' (WdI.97.3:2). Als we zulke enorme stukken uit onze hele reis kunnen halen, hoe lang moet dan niet de hele reis zelf duren?

Een laatste opmerking: Verlossing werd ons al die tijd, elk moment weer, miljarden jaren lang voorgehouden, en we hebben haar aanbod nog steeds niet aangenomen. In al die tijd waren het 'inderdaad maar weinigen' (H26.3:9) die het deden; er heeft nog geen 'alomvattend ontwaken' (T-2.I.3:7) plaatsgevonden. Van deze handvol was Jezus de eerste en blijft 'de enige volledig Ware Getuige voor God' (zoals hij Helen en Bill vertelde; zie Absence from Felicity, p.229). Denk je werkelijk, als je alles bij elkaar neemt, dat het waarschijnlijk is dat we morgen volledige verlichting zullen accepteren omdat we dit nieuwe boek in de kast hebben staan?

De reis door de Cursus

De weg die we verondersteld worden door het Courseprogramma te reizen suggereert ook een stapsgewijs ontwaken in plaats van ogenblikkelijke verlichting. Eerst komt de Tekst die ons herhaaldelijk belooft dat - als we het maar werkelijk zouden begrijpen - onze reis over zal zijn. Maar zoveel Jezus dit ook belooft volgt op de Tekst het Werkboek dat veronderstelt dat we niet begrepen wat de Tekst zei. In les 39 zegt hij dat als we de Tekst werkelijk hadden begrepen 'je helemaal geen werkboek nodig zou hebben. Niemand hoeft te oefenen om te bereiken wat hij al is' (WdI.39.2:5-6).

Het Werkboek volgt hetzelfde patroon: er wordt herhaaldelijk beloofd dat verlossing juist deze dag de onze kan zijn. Maar na elke belofte komt de volgende dag met de volgende les die doet alsof we ons nog steeds min of meer op dezelfde plaats bevinden. Dan bereiken we uiteindelijk de eindstreep waar ons verteld wordt dat het werkboek 'een begin is en geen einde' (WdII.E.1:1). We worden geacht om als weleer te oefenen, maar nu onder leiding van de Heilige Geest in plaats van het Werkboek.

Dan komt het Handboek voor Leraren waar we kunnen ontdekken dat al onze moeite die we in het Werkboek geïnvesteerd hebben ons enkel kwalificeert als een beginnende leraar van God (H16.3:6-7)met definitief de status van een beginneling. En dit veronderstelt dat we het Werkboek grofweg volgens de richtlijnen gedaan hebben, waarvan ik geloof dat maar weinigen van ons het doen. En zelfs als we dan eenmaal een leraar van God zijn maakt het Handboek voor Leraren ons duidelijk dat we nog steeds een lange ontwikkeling door zullen moeten maken.

In één opvatting van deze vooruitgang (voornamelijk in hoofdstuk 2, 'Wie zijn hun leerlingen?') wordt gezegd dat als we een leraar van God zijn onze leerlingen onzichtbaar tot ons aangetrokken worden. We vormen dan leraar-leerling relaties die na verloop van tijd ons ertoe brengen om het bewustzijn los te laten van alle begrenzingen die we tussen onszelf en onze leerlingen geplaatst hebben. Als we dit gevoel van eenheid met onze leerlingen bereiken worden we op een hoger niveau getild: gevorderde leraar van God (H4.1:6). En dan moeten we ons vermoedelijk naar de volgende rang optrekken en 'onbeschrijfelijke hoogten beklimmen terwijl je voortgaat' (H19.2:7)totdat we de uiteindelijke staat van Leraar der leraren bereikt hebben.

In een andere versie van deze ontwikkeling (H4.I.A) doorloopt de leraar van God zes stadia. Na drie uitputtende stadia komt de leraar van God tot rust, maar 'is nog niet zo ver gekomen als hij denkt' (H4.I.A.6:10). Op het vijfde niveau ziet hij zich geconfronteerd met 'een toestand die misschien voor lange lange tijd onmogelijk blijft' (H4.I.A.7:7). Uiteindelijk, na al wat hij geleerd heeft, bereikt hij 'een periode van voltooiing' (H4.I.A.8:1) enkel in het zesde en laatste stadium.

Denken dat we al verder zijn dan het geval is

De rest van de Cursus ondersteunt het idee dat we denken dat we verder zijn dan het geval is, en dat we er geen idee van hebben hoe het in elkaar zit, tot tegen het einde van de reis. De illusie dat we meer gevorderd zijn dan we in feite zijn overschaduwt onze gehele reis. Want het ego handhaaft zich altijd door zich als iets te vermommen dat geestelijk veel gezonder, verstandiger, onschuldiger en heiliger lijkt.

Voordat we de reis beginnen (op een bewuste, opzettelijke manier) is de kans groot dat we denken dat we geestelijk volledig gezond zijn - het is de rest van de wereld die gek is. En nadat we eenmaal onze voet op het pad gezet hebben ervaren we vaak wittebroodsweken waarin we een glimp van het uiteindelijke doel opvangen en overweldigd worden door hoe dichtbij en hoe bereikbaar het allemaal lijkt. Volgens mij komt het door deze wittebroodsweken dat we denken dat we al bijna verlicht zijn. Ironisch genoeg beëindigen we niet de reis maar beginnen we er net aan.

En zelfs als we hoger op de spirituele ladder geklommen zijn zullen we nog steeds buitengewoon kwetsbaar voor het ego blijven. 'Zelfs de meest gevorderde leraar van God zal aan de verleiding in deze wereld toegeven' (H23.1:2). Als we kijken naar wat de Cursus zegt en naar de valkuilen van tegenwoordige leiders lijkt het alsof het hoofdgevaar gelegen is in de zelfoverschatting die we al eerder besproken hebben. Je hebt maar weinig verbeeldingskracht nodig om te zien wat de gevolgen van deze overschatting voor ons zelfbeeld zijn.

Op een bepaalde manier is deze zelfoverschatting begrijpelijk omdat we inderdaad wijzer, liefdevoller en machtiger worden dan de omgeving lijkt te zijn. Maar deze waarneming kan ons ertoe verleiden om ons falende ego een nieuwe kans te geven. Dit is precies het idee dat in het Handboek voor Leraren besproken wordt m.b.t. paranormale of bovennatuurlijke vermogens. Er wordt gezegd dat, al hebben we ons belang in wereldse materiële gaven opgegeven, het ego deze nieuw ontdekte mediamieke vermogens gebruiken kan om 'zichzelf te verheerlijken' en zodoende 'door slinksheid kracht terug kan winnen' (H25.4:7,5:3).

Pas aan het einde van de reis worden we geestelijk echt gezond. Pas als we de werkelijke wereld bereiken en het Laatste Oordeel binnengaan zijn we volledig in staat om zinnig te kiezen. 'In deze [wereld] is keuze onmogelijk gemaakt. In de werkelijke wereld wordt het kiezen vereenvoudigd' (T-26.III.4:9-10). Hoe kan het anders? De enige waarlijk verstandige keuze is om uit de droom te ontwaken. Totdat we die keuze maken zijn we waanzinnig. En wie zijn wij dan - in al onze waanzin - om te beoordelen hoe ver we gevorderd zijn?

De ideale houding

Hoe behoren we dan onze spirituele reis te zien? We hebben twee fundamentele dingen vastgesteld: 1) We kunnen op elk gegeven moment ontwaken, 2) het kan honderden, duizenden of zelfs miljoenen jaren duren voordat we dat moment laten komen. Wat gaan we met deze twee verschillende gegevens doen? Er is een passage in de Cursus die precies hierover gaat:

De vooruitgang van de leraar van God kan langzaam of snel gaan, afhankelijk ervan of hij de alomvattendheid van de Verzoe­ning herkent, of dat hij een tijdlang sommige probleemge­bieden ervan kan uitsluiten. In sommige gevallen is er een plotseling en compleet bewust­zijn van de volmaakte toepasbaarheid van de les van Verzoe­ning op alle situaties, maar dit komt relatief zelden voor. De leraar van God kan de functie, die God hem gaf, geaccepteerd hebben lang voordat hij alles geleerd heeft wat deze acceptatie voor hem inhoudt. Allen het einde is zeker. Ergens onderweg kan het nodige beseg van alomvattendheid hem bereiken. Als de weg lang lijkt, laat hem tevreden zijn. Hij heeft beslist welke richting hij nemen wil. Wat meer werd hem gevraagd? En als hij eenmaal gedaan heeft wat vereist was, zou God de rest dan achterhouden? (H22.2)

In deze alinea lees ik een aantal dingen. Ten eerste hangt de snelheid van onze vooruitgang ervan af hoe weinig probleemgebieden we van de Heilige Geest uitsluiten. Ten tweede kunnen we elk willekeurig ogenblik ontwaken op een punt ergens langs de weg. Dit plotselinge ontwaken is echter 'relatief zelden' (Ik heb het gevoel dat het woord 'relatief' hier op een voor de Cursus typerende manier zeer zachtjes uitgedrukt is - 'extreem' zou waarschijnlijk dichter bij de letterlijke waarheid liggen). En ten derde: ongeacht de tijd dat het lijkt te duren zouden we tevreden zijn. Waarom? Omdat het einde absoluut zeker is. Het woord 'tevreden' is essentieel. Merk op dat hier niet gezegd wordt: 'Als de weg lang lijkt laat hem dan beseffen dat hij een nodeloze slomerik is die vervolgens in ogenblikkelijke transcendentie gekatapulteert wordt.'

Naar mijn idee bevat deze alinea de ideale houding voor de reis. Vóór alles zouden we ons eraan kunnen herinneren dat elke dag, elk moment misschien onze laatste kan zijn; niet omdat we misschien sterven maar omdat we misschien ontwaken. '...het is dit ogenblik waarin je volledige verlossing aangeboden wordt, en het is dit ogenblik waarin je haar kunt accepteren.' Dit gevoel van nabijheid en beschikbaarheid van de Hemel is cruciaal. Elke ochtend zouden we moeten opstaan met de gedachte: 'Vandaag zou de dag kunnen zijn.' Niet omdat we spiritueel bijzonder gevorderd zijn, maar omdat we misschien vandaag, tegen alle gewoonte in, ervoor kiezen om waarlijk open te staan voor een grootsere les.

Maar aan dit optimisme zou er ook een gebrek aan angst omtrent timing gekoppeld moeten zijn:

Zij die zeker zijn van de uitkomst [ons uiteindelijke ontwaken] kunnen zich veroorlo­ven te wachten, en wel zonder angst. Geduld is voor de leraar van God natuurlijk. Alles wat hij ziet is verze­kerd van resultaat, misschien op een tijdstip dat hij nog niet weet, maar dat niet betwijfeld wordt. (H4.VIII.1:1-3)

De Cursus jaagt ons nooit op om binnen een bepaalde tijd te moeten ontwaken, om een deadline te moeten halen. Je kunt je makkelijk voorstellen welke spanning en druk deze houding op ons spirituele pad zou geven, welke kritieke stappen we daardoor geneigd zijn om over te slaan, en het gevoel van ego-streven en/of wanhoop dat er misschien achter zit. De kwestie zou niet mogen zijn of onze thuiskomst morgen of 10.000 na Christus is - we zouden in alle gevallen tevreden moeten zijn. Het punt is enkel dat het gebeuren zal.

Wat is er dus aan de hand als we voor nog eens enkele duizend jaren hier in de droom blijven? Tijd is onwerkelijk. 'Wanneer hij [bevrijding] vindt is slechts een kwestie van tijd, en tijd is niets anders dan een illusie' (T-13.I.5:5). De Cursus heeft een zeer nonchalante houding ten opzichte van immense tijdsdimensies. 'Wat zijn honderd of duizend jaren voor Hen [God en Christus], of tienduizenden?' (T-26.IX.4:1) Per slot van rekening duurden de miljarden jaren van de gehele droom alleen maar een 'nietig ogenblik' en 'gingen in de Hemel te snel voorbij om ontdekt te kunnen worden dat hij er was' (T-26.V.5:1). Als we tijd vanuit een geheeld perspectief zouden kunnen zien zouden de tienduizend jaar die we hier nog langer blijven als niets lijken. Ongedurigheid om hier snel weg te zijn laat dus zien dat we geloven dat tijd echt is. En dit geloof in tijd ketent onze geesten er steeds steviger aan vast. De ware leraar van God hecht geen belang aan tijd. 'De Verzoening zou je kunnen vergelijken met een totale ontsnapping uit het verleden en totale desinteresse in de toekomst' (H24.6:3).

Als je de twee delen bij elkaar voegt, die ik de ideale houding noemde, krijg je het volgende: 'Ik mag optimistisch zijn omdat mijn thuiskomst vandaag zou kunnen gebeuren. Maar ik kan het me ook veroorloven om geduldig te zijn omdat mijn thuiskomst onvermijdelijk is.' Persoonlijk denk ik dat we het hierbij zouden moeten laten.

Volledige transcendentie: een onrealistisch doel

Een andere passage in het Handboek voor Leraren gaat over dezelfde kwestie. Terwijl het veel van de voorgaande paragraaf herhaalt wordt er een belangrijke nieuwe draai aan gegeven. Het hoofdstuk 'Kan God rechtstreeks bereikt worden?' (H26)is werkelijk het antwoord van de Cursus op onze traditionele mystieke zoektocht. In de derde alinea behandelt het een traditioneel doel van de mystici: de ervaring bereiken van een rechtstreekse vereniging met God en haar dan blijvend vasthouden 'voor de meeste tijd op aarde' (3:3). De Cursus zegt dat dit mogelijk is, maar voegt eraan toe dat 'dit zo zeldzaam is dat het niet als een realistisch doel beschouwd kan worden. Als het gebeurt zo zij het. Als het niet gebeurt, zo zij het ook' (3:4-6).

Dit zijn zeer betekenisvolle opmerkingen. Het maakt ons duidelijk dat ons doel niet zou moeten zijn om voortdurende mystieke eenheid tijdens ons aardse bestaan te zoeken. Belangrijker nog, ons doel zou ook niet dat extremere moeten zijn van uiteindelijke transcendentie waarin we 'God rechtstreeks bereiken, geen spoor van wereldse beperkingen vasthouden' (2:1), waarin ons lichaam verdwijnt (zie Jezus' commentaar over de verdwijning van zijn lichaam in Absence from Felicity, p. 398-399) en wij een Leraar der leraren worden (2:2). Want deze uiteindelijke transcendentie is datgene waar voortdurende mystieke eenheid naar toe leidt. 'Als God in een ononderbroken bewustzijnstoestand rechtstreeks bereikt zou worden zou het lichaam niet lang in stand gehouden kunnen worden' (3:8). Met andere woorden, ons doel zou niet permanente mystieke eenheid moeten zijn terwijl we op de aarde vertoeven, noch behoort het de uiteindelijke transcendentie te zijn waarin we 'ertussenuit knijpen' zoals Jezus deed.

De Tekst gaat dan verder om ons te troosten met het feit dat we nog steeds een ego hebben: 'Wanhoop dus niet vanwege je beperkingen. Het is je functie om daar aan te ontsnappen, maar niet om zonder hen te zijn' (4:1-2).

Het idee erachter is dat het o.k. is om nog steeds een ego te hebben, en dat om meerdere redenen. Ten eerste hebben de Leraren der leraren, diegenen die volledig getranscendeerd zijn, 'helpers nodig die nog steeds in slavernij zijn en nog steeds slapen, zo dat door hun ontwaken Gods Stem gehoord kan worden' (3:10). Ten tweede hebben diegenen die we dienen ons nodig om 'hun taal te spreken' (4:3). En ten derde is het zo dat als we anderen willen bevrijden, we van hun probleem een grondig begrip uit eerste hand moeten hebben: 'Als je een verlosser wilt zijn moet je begrijpen waaraan te ontsnappen is' (4:4).

Dit alles leidt tot de rake kernzin van dit hoofdstuk: 'Laat ons daarom niet te veel bezig houden met doelen waar je nog niet klaar voor bent' (4:9). Dit is alleen maar een andere waarschuwing dat het doel van ons streven niet op de uiteindelijke, voortdurende vereniging met God gericht behoort te zijn. Anders gezegd: het antwoord op 'Kan God rechtstreeks bereikt worden?' is 'Ja, maar maak niet dat tot je doel.'

Een realistisch doel

Blijkbaar is er een realistischer en beter bereikbaar einde dat wel ons doel behoort te zijn. Het slot van dit artikel zal zich met dit doel bezighouden. Want het voorziet ons van een tegengif voor de wanhoop op ons pad en ons naïef begrip dat we morgen alles al overstegen zullen hebben. In feite wordt de hele aandacht voor de vraag: 'Hoe lang duurt het tot ik hier van af ben?' op een krachtige manier bijgesteld.

Wat is dit doel nu? De sleutel wordt ons in een van de bovengenoemde passages gegeven: 'Als je een verlosser wilt zijn....' De kern van deze regels is dat we ons niet op het naar God katapulteren zouden moeten richten, maar ons concentreren op onze functie als verlosser of 'helper' naar 'diegenen die lijden' (H26.3:10,4:3). Dus in plaats van te proberen om boven deze wereld uit te stijgen behoren we ernaar te streven om gelukkig, liefhebbend en waarlijk helpend te zijn. We moeten er niet naar streven om de spirituele superman te worden maar de helper die vrij is van ego.

Dit kan in de oren van vele Coursestudenten erg ongewoon klinken, maar het is daadwerkelijk een hoofdthema in de Cursus. De rode draad is dat het doel van de Cursus niet kennis is - puur transcendent bewustzijn - maar geheelde waarneming. 'Deze Cursus zal je tot kennis leiden, maar kennis zelf ligt nog steeds buiten het bereik van ons curriculum.' (T-18.IX.11:1). De volgende passages illustreren dit punt rijkelijk:

Wees jij tevreden met heling [ zijnde een heler] .... Kennis is ver voorbij je individuele zorg .... Je rol in de bevrijding [als heler] leidt je tot [kennis] door haar eenheid in je geest te herstellen. (T-13.VIII.7)

Het zal ons niet interesseren wat voorbij de verlossing in volmaakte zekerheid op ons wacht ... Enkel het wonder zal nu je zorg zijn. (T-28.III.1:1,3)

Ervaring - niet geleerd, niet onderwezen, niet gezien - is er eenvoudig. Dit ligt voorbij ons doel omdat het dat overstijgt wat bereikt moet worden. Onze zorg is het Visioen van Christus. Dat kunnen we bereiken. (WdI.158.6:4-7)

De waarheid omtrent wat we zijn is niet in woorden uit te drukken of te beschrijven. Maar we kunnen ons van onze functie hier bewust worden ... We zijn de brengers van verlossing ... verlossers van de wereld ... We zoeken niet een functie die voorbij de Hemelpoort ligt. Kennis zal terugkeren als wij ons deel gedaan hebben. (WdII.14.2:4-3)

Deze passages vertellen ons met grote helderheid dat totale transcendentie niet ons aangewezen doel is. Waarom? Omdat het buiten ons bereik ligt. We zijn er niet alleen maar bij lange na nog niet klaar voor maar wij kunnen het nooit laten gebeuren. Het is God die ons uit de droom tilt. In de laatste stap is Hij de Doener. Wij spelen een volstrekt passieve rol; we zijn zo ontvankelijk voor God als het schoonste raam voor het licht. Hoe meer we dus deze uiteindelijke transcendentie zelf actief nastreven, hoe meer we ervoor zorgen dat ze niet kan gebeuren.

De Cursus spoort ons aan om de Hemel het doel van ons verlangen te laten zijn: 'Ik wil de hele Hemel en enkel de Hemel ...' (WdI.89.3:6). Maar hij zou niet het doel van ons streven moeten zijn. We zouden ernaar verlangen om in de Hemel te ontwaken terwijl onze inspanningen er enkel op gericht zijn om ons daarvoor klaar te maken. Dit doen we door het raam schoon te wassen van het ego. En dat doen we d.m.v. onze functie, namelijk het uitbreiden naar anderen. We worden gelukkig en stralen vreugde uit. We maken ons geen zorgen meer en verspreiden onze vrede. We worden vergevingsgezind en verlichten anderen van hun schuldenlast.

Door dit gedaan te hebben zijn het onze broeders - en niet wij - die ons wakker zullen maken. Hoe toepasselijk is dit toch, want zij kennen het licht in ons beter dan wijzelf. Ze hebben zijn volledige zegen ervaren, ze hebben ervaren hoe het hun pijn genas. En als resultaat 'zien ze meer in jou dan jezelf' (T-4.II.4:4). Vandaar dat zij het zijn die ons uiteindelijk van Gods licht in ons zullen overtuigen:

Je kunt jezelf niet wakker maken. Maar je kunt jezelf laten wekken. Je kunt aan de dromen van je broeder voorbijzien. Je kunt hem zijn illusies zo volmaakt vergeven dat hij jouw verlosser uit je dromen wordt ... Dit is de vonk die in de droom straalt opdat je hem kunt helpen ontwaken en er zeker van bent dat zijn ogen tijdens het ontwaken op jou rusten. (T-29.III.3:2,5:6)

Het gewicht van de Cursus ligt dus niet op de transcendentie maar op de relatie. We worden gered door anderen te redden. 'Je zult van iedereen, aan wie je bevrijding van schuld verleent, onherroepelijk je eigen onschuld leren' (T-14.V.7:5).

Deze staat van waarachtig helpen kunnen we bereiken. Hij is binnen ons bereik. En hij is iets waar we ons mee kunnen verhouden. Totale transcendentie overstijgt ons huidig bevattingsvermogen en wordt dus gemakkelijk een armzalige drijfveer of een projectiescherm voor alle mogelijke ego-fantasieën. Maar een gelukkige, helpende en vergevende houding op aarde is onmiddellijk betekenisvol en bereikbaar.

Wil je geluk, een vredige geest, zekerheid van doel en een gevoel van waarde en van schoonheid dat deze wereld overstijgt? Wil je voortdurend zorg en geborgenheid en de warmte van een zekere bescherming? (WdI.122.1:4-5)

Deze staat van geest is ons aangewezen doel. Omdat het doel bereikbaar is kan het de wanhoop verzachten die onze spirituele reis ontmoedigt. Als gelukkige en helpende geesteshouding op aarde neutraliseert het onze grootheidswaan en onze naïeve eerzucht om deze wereld van pijn ogenblikkelijk te overstijgen. We kunnen op aarde waarlijk gelukkig zijn. En zodoende transcenderen we de aarde. Door een stralend licht voor de wereld te worden schijnen we alle hindernissen weg die God ervan weerhouden om te komen en ons mee naar huis te nemen. Als je er dus werkelijk naar verlangt om deze lijdende plaats te verlaten, span je dan met al je kracht in om haar pijn te verzachten, om gelukkig, vergevingsgezind en liefhebbend te worden terwijl je hier bent.

Conclusie

Vreemd genoeg werd de vraag 'Hoe lang duurt het tot ik hier vanaf ben?' gaandeweg steeds minder belangrijk. Ze werd ook steeds minder beladen. Het is een vraag die niet alleen grootheidswaan maar ook wanhoop oproept. Het is een vraag die zeer waarschijnlijk voortkomt uit wrok om in deze wereld te zijn, maar juist wrok is wat ons hier houdt. Bovendien maakt ze tijd werkelijk omdat ze zich duidelijk met de toekomst bezighoudt. Het is een misleidende vraag die ons hier eerder nog meer vastspijkert dan ons bevrijdt.

In plaats daarvan hebben we gezien dat de Cursus remedies bevat voor ons angstig verlangen om te snel de benen te nemen. We kunnen er vrede mee hebben dat we nog steeds een ego hebben en weten dat God ons accepteert en verwelkomt waar we ook zijn, zelfs al is het de deur naar de kleuterklas. Vol optimisme kunnen we ons hoofd opheffen in de wetenschap dat vandaag de dag zou kunnen zijn. En we kunnen ook tevreden zijn met wachten in de gelukkige zekerheid dat onze thuiskomst vaststaat. Terwijl we wachten kunnen we vreugdevol in het moment leven zonder belang te stellen in de toekomst. En bovenal kunnen we ons met datgene bezighouden wat ons uiteindelijk van tijd en ruimte zal bevrijden: We kunnen het leed om ons heen door vergeving verlichten. In plaats van deze pijnlijke wereld proberen te overstijgen kunnen we beter ernaar streven om hier een baken van geluk te zijn. De vraag is daarom niet: 'Hoe lang duurt het tot ik hier van af ben?' maar: 'Hoe kan ik helpen?'

Return to top | Send Reader Feedback | View Reader Feedback | Printer friendly version

AddThis Social Bookmark Button


Dear friend: We offer the materials on this website to you in the hope that they can serve you well on your journey home. Your continuing donations support the work of the Circle of Atonement. Thank you.
Click here to make a Donation.

This material is copyrighted by the Circle of Atonement, P.O. Box 4238, W. Sedona, AZ 86340. All rights reserved. The opinions expressed are the personal interpretation and understanding of the author(s).

Please report problems to the webmaster.

Site Links

Email a Friend
Send Reader Feedback
View Feedback
Send a ? to Q & A
Printer friendly version

Bookstore

Manual Reading Program
Manual Reading Program Ever wanted help in getting through the Manual and understanding it?